Vechten aan de Hellehoek

De volgende sage met bovennatuurlijke elementen, is door Willem Geldof opgetekend aan de hand van wat verschillende zegslieden hebben verteld in een café. Het verscheen in zijn boek “Volksverhalen uit Zeeland en de Zuidhollandse Eilanden” en in de verhalenbundel “Als een god in Zuid-Holland”. Tevens zal het door Theo Meder van het DOC Volksverhaal behandeld worden in het standaarwerk “Lokale Verhalen”, welke in 2009 zal verschijnen.

Tussen die van Oostvoorne en Rockanje zat het nooit goed; ze konden elkaar gewoon niet verdragen. Dat was vroeger heel gewoon: als een jongen uit de ene plaats vrijde met een meisje uit de andere plek, stonden hem heel wat moeilijkheden te wachten. Soms verdroeg het ene dorp het andere heel best, soms ook niet. Nou, Oostvoorne en Rockanje mochten mekaar niet. Dat is nog zo, maar d’r is nou maar één café mee onder Heveringen, dat is waar de Heveringseweg uitkomt op de weg tussen Oostvoorne en Rockanje. Maar vroeger had je daar wel vier herbergen en twee waren van Oostvoorne en twee van Rockanje. Die van Oostvoorne moesten maar liever niet in zo’n café van Rockanje komen en omgekeerd ook niet. Daar wier niks anders gedaan as gezopen en schelmenstreken uitgebroeid.

Natuurlijk gebeurde het zat, dat een jongen uit Oostvoorne verkering kreeg aan een meisje uit Rockanje en omgekeerd ook. Nou as zo’n jongen dan op de fiets naar Oostvoorne ging, was er in het donker een ketting over de weg gespannen waar ‘ie tegenop ree. En als ‘ie dan plat op de weg lag, sprongen d’r wel vier kerels van Oostvoorne uit de struiken boven op hem. Dan kreeg hij zoveel op z’n donder dat ‘ie voortaan wel liet een meisje in Oostvoorne te zoeken. Die van Rockanje waren al net zo gemeen: ze braken het grind van de weg op en groeven een geul dwars over de weg. Daar duikelde je met je fiets in en dan sprongen die van Rockanje op je nek.

Soms kon je het afkopen door iedere keer als je ‘s zaterdagsaves op pad ging, eerst een rondje te geven aan de lui uit het andere dorp, die je op stingen te wachten. Trouwens, later kwamen d’r betere fietslantarens en dan kon je al op tijd zien dat er onraad op de weg was. Je kon ook een stel kameraden meenemen, maar dat ging altijd maar een keer goed: de volgende maal zat er een even groot stel van de andere kant op je te wachten. Dan beslisten de knuppels en de messen en later de fietskettingen wel wie de winnaar was. Of een herbergier uit Heveringen waarschuwde de politie. Die wist trouwens doorgaans wel wat er op zaterdag- en zondagavond te doen was en greep in, zodra de vechtpartijen begonnen.

Vanwege die vele vechtpartijen, ‘s zaterdagsavonds en ‘s zondagsavonds, heette het stuk van Heveringen dat aan de weg van Oostvoorne naar Rockanje lag, de Hellehoek. Anderen zeggen dat die naam al veel eerder besting, maar daar gaat het nou niet om. D’r was een boerenjongen uit een polder onder Oostvoorne en die had verkering met een meisje uit Hellevoetsluis, dat als meid op een buitenplaats onder Rockanje diende. In die tijd kreeg je als dienstmeid echt niet elke week vrij, ben je gek! Nee, eens in de maand mocht je van vrijdag tot maandag naar huis en daar was het mee afgelopen. Nou zul je zeggen: wat doet zo’n boerenknul met een dienstmeid? Maar d’r was op heel Voorne geen knappere as Marie. En hoe die boerenknul kennis an d’r had gekregen? Nou, dat was heel eenvoudig. Die rijke lui hadden in hun buitenplaatsen grote kelders. Daar sloegen ze in oktober aardappels, kool, ajuin, peejen en ander spul op dat je bewaren kos. Dan waren ze voor de hele winter gedekt, zie je? Want je kon wel eens wat sneeuw en vorst krijgen en dan was het gemakkelijk dat je dat spul in huis had. Kees de Groot, zo heette die knul, teelde al dat gewas en hij bracht dat in het najaar rond in Rockanje, want daar zat vanouds meer geld dan in Oostvoorne.

Op een zekere dag ree Kees de Groot met een boerenwagen vol aardappelen, ajuin en peejen, naar Rockanje. Dat was vijf kwartier rijen en je begrijpt, dat ‘ie z’n wagen goed volgeladen had. Nou was het vrijdagmiddag en dus was t’r niks an de hand an de Hellehoek. Het feest begos daar pas op zaterdagavond as het donker wier. Kees had dus niks geen last en hij leverde overal in Rockanje z’n spullen af. Tegen een uur of vijf begon het donker te worden en hij had nog vier mud aardappelen en drie zakken uien in z’n wagen, die zoudie afleveren op villa Duinoord. Dan was ‘ie klaar en kon hij weer op huis aan.

Die villa had een grote oprijlaan met mooie bomen en een prachtig, smeedijzeren hek sloot de laan af. Maar Kees wist dat het hek niet op slot was, bond de leitsels vast, opende het hek en reed de laan in naar de villa. Daar belde hij aan. Er was niemand thuis, want de hele familie was voor het weekeinde naar Rotterdam en de meid was alleen thuis. Dat was de eerste keer, dat Kees de Groot in aanraking kwam met Marietje en het zou niet de leste keer worden. Kees had z’n ogen niet in z’n zak, maar hij begreep wel, dat hij niet te hard van stapel moest lopen. Hij vertelde dus waarvoor hij kwam en de meid vertelde hem, dat hij achterom moest rijden, waar hij zijn spullen moest afladen. Kees reed achterom en zette de paarden vast. Toen was de meid al binnendoor gegaan om de deur open te doen en ze wees de weg. Nou, naar benejen slouwen gaat makkelijker dan naar boven en dus was het vrachtje gauw gelost. Afrekenen ging niet, want Marie kon niet bij het geld in de brandkast, maar dat hoefde ook niet. Later zou Kees z’n vader wel eens langs komen om af te rekenen. Dat dejen ze altijd tussen Kerstfeest en Ouwejaar. Je kon dan meteen bestellen wat je tot volgende jaar nodig had, want in juni kwamen de nieuwe aardappelen alweer.

Uit beleefdheid vroeg Marie of Kees trek had in een bak koffie en hij zei geen nee. Een ogenblik later zaten ze gezellig te babbelen in de mooie kamer, waar Marietje anders alleen kwam om te bedienen of stof af te nemen, dat snap je.

Het duurde niet lang, of Marietje zat op de knie van Kees de Groot en die vertelde haar, dat ze het knapste meisje was van de hele wereld. Daar zal trouwens niet veel aan gemankeerd hebben. Maar tenslotte was het uur van afscheid daar en een laatste kus volgde. Dat was tenminste de bedoeling. Maar toen Kees buiten kwam achter de villa stonden de paarden er nog wel en de lege wagen ook, maar er hing een mist, zo dicht dat je geen meter ver kon kijken. Nu zou dat helemaal geen bezwaar zijn geweest, want de paarden wisten zelf wel de weg, maar Kees dee alsof’ie verschrikkelijk schrok. Hij vertelde, dat de hofstee van vader aan een smal dijkje lag en dat het levensgevaarlijk was om daar zo in donkerte en mist heen te rijden. Of er dan geen herberg was in de buurt?

‘Aan de kant van Rockanje niet,’ zei Marietje, ‘de dichtstbijzijnde is in Heveringen. Maar dat is zeker een uur rijden en dan moet je ook over een dijk.’

‘Kan ik hier mijn paarden niet stallen?’ vroeg Kees. ‘Dan ga ik wel te voet daarheen en kom morgen terug.’ ‘Zijn ze dan thuis niet ongerust?’ vroeg het meisje. ‘Helegaar niet,’ zei Kees, ‘ze snappen best dat ik in mist ben blijven steken. Dat gebeurt wel meer. En vanuit de herberg in Heveringen kan ik misschien telefoneren.’ Nou, dat kon van hieruit ook. Een poos later stingen de beide paarden op stal en de wagen in het koetshuis. En Kees bracht de avond en de nacht door op de villa en Marietje vond dat maar wat goed, want helegaar allenig in zo’n groot huis zitten was toch wel bar griezelig, nietwaar?

Maar al was er dan ook vanuit zee een geweldige mistbank landinwaarts gedreven, onopgemerkt waren ze toch niet gebleven. Dat kan je begrijpen! De jongens van Rockanje hadden best in de gaten, dat Kees niet meer teruggegaan was. Nou kon dat ze niks schelen, want zo braaf waren ze ook niet. Maar wel dat het knapste meisje van Rockanje, al was ze dan ook een Hellevoetsluise ‘grippeschieter’ (scheldnaam voor lui uit Hellevoetsluis), met een jongen uit Oostvoorne ging.

De volgende morgen sloeg een westenwind de mist uit elkaar en een waterig oktoberzonnetje kwam er doorheen. Na een lang en innig afscheid spande Kees de Groot de paarden voor zijn wagen en in een draf ging het de Oostvoornseweg op. Het was al na de middag, toen hij de Hellehoek passeerde. Tenminste, dat was de bedoeling, dat passeren. Maar opeens hieuwen de paarden stil en Kees zag dat een touw dwars over de weg was gespannen, van boom tot boom. Nou was het wel stil, maar Kees was niet gek. Hij begreep best, dat in de struiken langs de weg een stel Rockanjers zat te wachten, tot’ie uit de wagen zou stappen, om het touw door te snijden of los te maken. Op dat ogenblik zouen ze hem op z’n nek springen en op z’n donder geven. Hij greep de zweep, sloeg als een wilde op de paarden los en vloekte allerijselijkst. De paarden steigerden, sprongen boven op het touw en dat knapte af, zodat Kees kon doorrijden. En wel kwammen d’r een stel Rockanjers angerend, maar die sloeg Kees met de zweep zo ongenadig op d’r facie, dat ze met striemen op d’r kop mosten afdeinzen. Zo kwam’ie toch nog heelhuids thuis.

 

Of’ie daar nou verteld het wat er gebeurd was is niet bekend, maar wel dat hij voortaan verkering had met Marietje. En de kunst was om daar ’s avonds heelhuids vandaan te komen. Op zekere dag zei z’n vader: ‘Kees, je mot nog een hele vracht aardappelen wegbrengen naar Rockanje. Ga nou maar na de middag. En als je terugkomt, breng dan dat meisje eens mee, dan kunnen wij d’r kennis mee maken. Maar gebruik je hersens, jongen en rij terug over Tinte, dan heb je nergens last mee. Als je d’r ’s aves wegbrengt neem je dezelfde weg, dan het dat kind ook geen last.’

Ja, dat kos natuurlijk, maar dat was toch wel een omweg van meer as een uur, geen kleinigheid! Kees laaide z’n aardappels op, bracht die weg in Rockanje en tegen vieren was’ie al op de villa Duinoord. Daar wisten ze van z’n komst en daar mocht hij kennis maken met meneer en mevrouw. En natuurlijk mocht Marietje mee, onder voorwaarde, dat ze ’s aves om tien uur weer terug zou zijn. Want slapen onder één dak geeft geen pas as je nog niet getrouwd bent. Dat dat al es gebeurd was hoefden hullie niet te weten, dat snap je.

Omdat het nog overdag was, toen ze terug rejen, gebeurde er niks an de Hellehoek. Ze waren dus op tijd bij Kees z’n ouwers en al hadden die d’r wel wat op tegen dat Kees met ’n erm meisje ging, toen ze dat knappe ding zagen begrepen ze wel dat ielk verzet zinneloos was en ze waren heel hartelijk voor d’r. Mar aan alles komt een end, behalve an een worst want die het twee enden. Dus om half negen wier de sjees ingespannen en het vlugste paard van boer De Groot wier d’r voor gezet. Over Tinte zou’ie met gemak in vijf kwartier weer in Rockanje zijn, zo best kon dat paard draven. Het was de beste van de hele Stavakkerpolder.

Nauwelijks waren ze van het erf af of Marie zegt tegen Kees: ‘Neem de gewone weg maar over de Hellehoek. Daar gebeurt niks.’ ‘Ja maar, ik ben ze al es een keer ontsnapt en ik heb ze met de zweep op d’r lui snuit geslagen’… zei Kees. ‘Dat weet ik,’ zei Marie. ‘Maar deze keer hoeft dat niet. Let op mijn woorden.’

En deze keer was het helegaar niet mistig. ’t Was wel vroeg donker, maar een half maantje verlichtte de wegen en het paard draafde er lustig op los. Maar wat dacht je? Precies op dezelfde plek als de vorige keer was weer een touw over de weg gespannen en bovendien hadden ze er nog een greppel voor gegraven. ‘Geef me je mes maar, dan zal ik je wel eens wat laten zien,’ zei Marie, toen de wagen stil stond en het paard angstig trappelend moest wachten.

‘Nooit van m’n leven!’ riep Kees uit. Maar nog voor hij wist wat er gebeurde had Marie het grote mes met het handvat van fraai gesneden paardekoppen uit zijn schee getrokken en was ze van de sjees af gesprongen. Opeens stingen d’r links en rechts wel twintig Rockanjers om d’r op te wachten. Maar ineens was het of de tijd stil sting: de wind hieuw op met waaien, het paard stond stijf als een standbeeld, Kees kon geen asem meer krijgen en de jonge jongens langs de weg stingen als wazzen ze bevroren. Hee-je dat wel eens gezien? Ik niet. Maar Marietje stapte doodbedaard naar het touw, snee het deurmidden, nee, op twee plekken snee ze het door. Toen nam ze dat touw in d’r handen en lei het om de nek van de voorste jongen, lei d’r een knoop en trok het stevig an. Toen klom ze bedaard de sjees weer in, stak het mes in de schee en zei: ‘Rij nou effen kalm aan, want die grippel (greppel) heb ik zo gauw niet dicht kennen gooien.’

Op dat ogenblik begon de wind weer te waaien, het paard begos te trappelen en Kees kos weer asem krijgen. Heel kalm stapte het paard over de grippel, met een bons reed de sjees er overheen en vooruit: daar ging het weer. Maar toen Kees opzij van de kap achterom keek zag’ie, hoe alle jongens d’r an te pas kwamen om hun anvoerder te verlossen van het touw rond z’n nek. Hij was al blauw en half bewusteloos, dat hoorden’ie later. Zo kwammen ze weer bij de villa.

Nou, daar mosten ze afscheid nemen, want de lampen brandden en meneer en mevrouw en de kinderen waren thuis. Maar Kees was doodsbenauwd.

‘Jij bent een lieve meid, maar jij ken méér dan rechtuit!’ zei hij nog, bevend als een rietje. ‘Voor twintig vechtersbazen ben je niet bang, maar wel voor één jonge meid!’ zei Marie plagend en sprong met d’r tas uit de koetse. ‘Als je daar niet tegen ken hoef je niet meer terug te komen.’

Kees zei geen woord weerom, lei z’n zweep over de paarden en ree als een bezetene terug. Niet over Tinte, maar over de Hellehoek. Maar al was het intussen laat geworden, het touw was weg, de jonge jongens waren weg en de grippel over de weg was dichtgeschoven.

‘Was t’r nog wat, onderweg?’ vroeg z’n vader, toen hij het bezwete paard afveegde en op stal zette. ‘Nee, niks bezonders,’ loog Kees, ‘maar ik heb stevig doorgerejen en misschien dat ze me daarom niet te pakken konden krijgen.’ ‘Dat wil ik wel geloven’ zei de boer, ‘als jij in een dik half uur over Tinte naar huis toe ken rijen ben je de duivel te vlug af.’ Méér zei die niet. Maar die nacht sliep’ie slecht. Dat Marie een heks was geloofden’ie zelf niet. Dat was leuterpraat. Maar wat dan? Een week lang bleef hij thuis. Toen kon hij het niet meer uithouden en omdat hij nog geen fiets had, spande hij op zaterdagavond het paard voor de sjees en ree naar Rockanje. Over de Hellehoek. Daar waren weer jongens langs de weg en bij de café’s. Maar ze spanden geen touw meer over de weg en ze groeven geen grippel meer door het grind.

Dat is daar trouwens nadien nooit meer gebeurd. De aanvoerder van de Rockanjers heeft nog jaren met een scheve kop en een stijve nek gelopen. Maar hij is er weer bovenop gekomen. Maar toen de Rockanjers zagen dat hun aanvoerder niet meer durfde, dejen ze zoveel niet meer. Nou en toen lieten de Oostvoorners het er ook maar bij zitten. Zoas ik je zeg, d’r kwamen toen goeie fietslantarens en je kos veel beter zien wat er op de weg was as in die tijd. Bij de café’s kwamen ook wat lantarens. En de politie hieuw wat beter een oogje in ’t zeil, dat spreekt vanzelf.

Ja, die Kees is naderhand toch met z’n Marie getrouwd. Donderju, wat had die meid een licht in d’r ogen! Ze wier een goeie boerin, dat mot ik toegeven, maar als een errebeier ruzie met d’r had kon ze ‘m aankijken alsof ze dwars door hem heen keek. Misschien dee ze dat ook wel. Dan dorst geen mens wat tegen d’r te zeggen. Kees ook niet. Of dat nou een heks was? Laten we zeggen, dat ze d’r wil kon opleggen an anderen en dat ze dat eens en voor altijd bewezen het!

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.